De burgerwacht van Beek moest in het geweer komen bij revolutie en verstoring van openbare orde
In dit artikel:
Vanaf februari 1919 richtte burgemeester M. Janssen in Beek, naar een landelijk voorstel na de Eerste Wereldoorlog en revolutionaire onlusten, een burgerwacht op om het wettig gezag te steunen bij het bestrijden van revoluties en openbare ordeverstoring. In de statuten stond dat de groep, op oproep van de overheid, zou optreden tegen bedreigingen en waar nodig burgerlijke diensten verrichten. De commandant werd door de burgemeester benoemd; het bestuur bestond uit lokale notabelen zoals Jos Retera (voorzitter), L. Lagro (ondervoorzitter) en F.G. Hoefer (secretaris). De organisatie had een lokaal in het gemeentehuis en oefende schietvaardigheid nabij de huidige Schuttersstraat.
In 1939 verhuisde de club van zaal Stassen naar het patronaat, kreeg een nieuw bestuur, veranderde de naam in “Vrijwillige Beeker Burgerwacht” en paste de statuten aan: voortaan mocht men uitsluitend het wettig gezag steunen en ook bij natuurrampen hulp verlenen. Door de dreiging van oorlog werd de wacht op 1 april 1939 actief met 26 ongewapende en 95 gewapende leden; zij beschikten over 98 geweren met bajonetten en circa 2.800 patronen, maar hadden weinig schietervaring en geen training. Kort na de Duitse inval in mei 1940 werden alle burgerwachten door de bezetter verboden; de Beeker groep leverde officieel geen kasgeld in maar liet nog een groepsfoto maken. Na de Tweede Wereldoorlog zijn dergelijke burgerwachten niet heropgericht.