De fazant was geliefd in klooster- en kasteeltuinen, en komt tegenwoordig het meest voor in Midden- en Noord-Limburg
In dit artikel:
Al enkele weken houdt een fazantenhaan bij een observatiehut in een weiland zijn territorium; half maart liep hij nog met twee hennen, maar de laatste tijd is hij vaak alleen te zien. Het mannetje verraadt zich met scherpe, metalen roepjes, korte opgezette houdingen en vleugelklapperen terwijl hij het grasland bewaakt en met poten en snavel naar voedsel scharrelt.
Het broedseizoen voor de hennen begon medio maart; zij maken een ondiep kuiltje in het struikgewas of onder een meidoornhaag. Fazanten zijn standvogels en omnivoren: granen, zaden, bessen en jonge planten vormen de basis, aangevuld met insecten en slakken. Bij verstoring vliegen ze korte afstanden op, vergezeld van een klikgeluid.
Oorspronkelijk uit Azië ingevoerd als siervogel en voedselbron, zijn fazanten al duizenden jaren gedomesticeerd en werden ze lange tijd voor de jacht uitgezet—een praktijk die nu verboden is. De hen, bruin-grijs en goed gecamoufleerd, legt één leg per jaar van ongeveer tien eieren; na ruim drie weken komen de jongen uit, verlaten direct het nest, kunnen na veertien dagen vliegen en worden circa twee maanden door de moeder verzorgd. In Noord- en Midden-Limburg komen ze het meest voor; natuurlijke vijanden zijn naast mensen roofvogels, marterachtigen en vossen. Tekst door Piet Schuttelaar.