Eenmaal per week wassen in het Venlose badhuis 'om het reinhouden der huid, ter voorkoming van ziekten, zoveel mogelijk te bevorderen'
In dit artikel:
Na een onderzoek door Dielen, Meelkop en Rassaerts — dat aanvankelijk de schrik opwekkende conclusie gaf dat het badhuis geen gemeentelijke taak was — kwam het drietal alsnog tot het advies dat de gemeente het badhuis moest verwerven en de exploitatie aan het Groene Kruis moest overdragen. Op 5 juni 1916 verzocht burgemeester Van Rijn het onderwerp op de eerstvolgende raadsagenda te plaatsen.
Van Rijn, apotheker en fervent pleitbezorger van hygiëne in een stad met omvangrijke gezondheidsproblemen, beargumenteerde waarom de gemeente het pand moest kopen: het ligt direct naast de gasfabriek en elektriciteitscentrale en wordt al door gemeentelijke diensten gebruikt, terwijl de bovenlokalen ook voor gemeentelijk gebruik van waarde blijven. Bovendien vond hij het essentieel dat mensen zonder eigen wasgelegenheid minstens wekelijks konden baden.
De Badhuis-Maatschappij vroeg 9.000 gulden voor het gebouw; een commissie schatte aanvullende herstelkosten op circa 2.000 gulden (nieuwe ketel, centrale verwarming, verfwerk, vloeren, riolering, daken, ramen/deuren en vier nieuwe closets — waarvan de closets op 1.250 gulden werden geraamd). Het Groene Kruis bood aan de exploitatie over te nemen, maar vroeg een jaarlijkse garantstelling van maximaal 860 gulden voor eventuele tekorten. De commissie onderschreef het Groene Kruis als meest geschikte exploitant vanwege haar volksgezondheidsdoelstelling.
Op 20 september 1916 stemde de gemeenteraad in: het badhuis mocht niet verdwijnen, zeker niet in perioden dat rivierbaden geen optie waren, en een deel van het gebouw zou blijvend gemeentelijke waarde behouden. Toch moest nog goedkeuring komen van Gedeputeerde Staten, waardoor de heropening nog vertraging zou oplopen. Volgende aflevering behandelt die vertraging.