Emile (98) over afscheidsbriefje dat vader uit deportatietrein gooide, vlak voor hij werd vermoord
In dit artikel:
De Maastrichtse textielhandelaar Léonard Salomon schreef vlak voor zijn deportatie in mei 1943 een korte afscheidskaartje dat hij vanuit de trein uit het raam gooide in de hoop dat iemand het zou posten. Het kaartje, gericht aan zijn zonen Jackie en Emile, bevatte troostvolle woorden over moed en de hoop op een hereniging. Léonard verbleef eerder in Kamp Westerbork; op 3 mei 1943 hoorde hij dat hij ‘de volgende dag op transport naar het Oosten’ zou gaan. Hij gooide het kaartje die avond bij station Hooghalen uit de wagon. Op 7 mei arriveerde hij in vernietigingskamp Sobibor en werd nog diezelfde dag vermoord.
Voor zoon Emile heeft het kaartje decennialang als een dierbaar tastbaar overblijfsel gediend. Hij bewaarde het zorgvuldig, gaf het later aan zijn dochter en raakt nog steeds geëmotioneerd bij het herlezen: in zijn herinnering was hij 14 toen zijn vader voor de laatste keer werd opgepakt in Maastricht. Emile vertelt dat zijn vader tijdens de oorlog verboden werd handel te drijven, mogelijk bij het verzet betrokken was, en twee keer door Nederlandse politie werd gearresteerd — de eerste keer kort vrijgelaten vanwege zijn gemengde huwelijk, de tweede keer in november 1942 uiteindelijk gevolgd door deportatie.
Het kaartje heeft een poststempel uit Assen, wat erop wijst dat een vinder het op de post deed; wie dat precies was, blijft onbekend. Onderzoek van journalist Lucas Ligtenberg toont dat er tijdens transports regelmatig briefjes, bonnen of zelfs stukjes wc-papier uit treinen werden gegooid — naar schatting moeten het er duizenden zijn geweest. Slechts enkele honderden van die berichten zijn bewaard gebleven. Ligtenberg verzamelde en analyseerde circa 300 exemplaren voor zijn boek Van hier de laatste groeten en concludeert dat de meeste afzenders geen volledig besef hadden van het lot dat hen te wachten stond. Hun boodschappen getuigen vaker van hoop op terugkeer en van afscheid nemen dan van kennis over vernietigingskampen; ze vormen dus directe, onuitgegeven ooggetuigenverslagen van gedeporteerden in de wagons.
Deze overgebleven briefjes hebben daardoor grote historische waarde voor het begrip van de ervaringen van gedeporteerde Joden en vullen lacunes in de geschiedschrijving. Archieven hebben deze documenten lang niet systematisch verzameld — uitzondering vormt onder meer het Westerborkarchief — waardoor familiedepots en recent verzamelaarswerk essentieel zijn voor behoud en onderzoek.
De familiekaart van Léonard Salomon is afkomstig uit het familiearchief en wordt binnenkort overgedragen aan het Nationaal Holocaust Museum in Amsterdam, waar het veilig wordt bewaard in het depot. Emile noemt de overdracht belangrijk: het biedt een publieke, respectvolle bewaarplek voor een persoonlijk document dat symbool staat voor duizenden verloren boodschappen en voor het menselijke leed achter de cijfers. Ligtenberg’s onderzoek onderstreept ook dat mensen bij stations na de bevrijding melding maakten van wolken briefjes op perrons — aanwijzingen dat nog veel meer van deze berichten bestaan of ooit hebben bestaan, maar grotendeels verloren gingen.