Goonsdig: waarom 'woensdag' de goden verzoeken is

dinsdag, 5 mei 2026 (14:33) - Dagblad de Limburger

In dit artikel:

Het artikel begint bij een Limburgs carnavalslied uit Elsloo (2004) — gebracht door de Patronaatsknöppele, tekst van Jos Hanssen en muziek van Fred Mays en Johnny Blenco — waarin de zanger klaagt dat hij zich verslapen heeft en zo het vastelaovesfeest gemist zou kunnen hebben. Dat fragment dient als insteek voor een taalkundige vraag: waar komt het Limburgse woord goonsdig (de middelste dag van de week) vandaan?

Historisch ligt de oorsprong bij het Middelnederlandse woensdach, genoemd naar de Germaanse god Wodan (Odin). De inheemse Oudnederlandse vorm Wuodan had klankwettig anders moeten evolueren dan de vorm die we nu kennen, en buiten de samenstelling woensdach is die oudere vorm niet blijven bestaan. In de christelijke tijd bestond bovendien weerstand tegen het vereren van niet-christelijke goden, waardoor weekdagen soms hernoemd werden naar meer neutrale of godsvruchtige termen. Zo ontstond volgens de auteur de naam Godensdag — letterlijk ‘dag van God’ — en door syncope (het wegvallen van een klinker binnen een woord) ontwikkelde die aanduiding zich in Oost-Limburg tot goonsdig/goonsdag.

Dialectkaartje: in Oost-Limburg leeft deze vorm nog sterk; in het Ripuarische gebied rond Kerkrade gebruikt men meestal de Duitse vorm Mittwoch (of varianten daarvan); in het noordelijke deel van de provincie is een vernederlandste woensdaag gangbaar — zoals ook terugkomt in een vastelaovesnummer van Giel Geurts uit 1975. Het stuk verbindt zo lokale carnavalscultuur met taalgeschiedenis en laat zien hoe religie, klankveranderingen en regionale verwantschappen samen bepalend zijn geweest voor de namen van de weekdagen in Limburgs dialect.