Het tafelattribuut 'tejjer' hebben we geleend van de Duitsers en de Fransen
In dit artikel:
Het artikel draait om het Limburgse woord tejjer — het dialectwoord voor wat in het Algemeen Nederlands ‘bord’ heet — en brengt taal, etymologie en streekcultuur bij elkaar. De schrijver betreurt dat steeds vaker het neutrale Nederlandse woord bord gebruikt wordt, terwijl tejjer een mooi, levend streekwoord is dat ook in liederen en lokale teksten voorkomt. Een hedendaags voorbeeld is een uitvoering van DikBetaaldBééVéé op een tekst van Wilco Aendekerk, waarin het woord tejjer voorkomt en het refrein oproept tot zingen, lachen en dansen als tegengif voor stress en overspannenheid.
Etymologisch wordt getoond dat tejjer niet zomaar uit het Duits (Teller) komt, maar verder teruggaat: Oudfrans tailloir — ‘het bord waarop voedsel gesneden wordt’ — en het Latijnse tāliāre (‘snijden’). De Oudfranse uitspraak lijkt bovendien dichter bij het Limburgse tejjer te liggen dan bij het Duitse woord. In Limburg bestaan meerdere regionale varianten: in Kerkrade en noordelijke delen klinkt telder, in Venlo leeft een rijmpje rond ‘telder’, en in Maastricht wordt een vorm als teleur gebruikt (zoals te zien op MestreechterTaol.nl). Die varianten tonen ook culturele nuance: sommige vormen klinken ‘sjieker’ of hebben een Fransere inslag, passend bij lokale taalgewoonten.
Verrijkend aan de beschrijving is een Sinterklaasgedicht van Phil Schaeken uit Sittard over 6 december 1956, waarin tejjere voorkomt en een nostalgisch beeld oproept van een vroeger gebruik: cadeautjes werden toen vaak pas de volgende dag geopend, meer een boxing-day-traditie dan het huidige pakjesavond.
De tekst koppelt taalkunde aan levenshouding: het behoud van dialectwoorden als tejjer weerspiegelt regionale identiteit en kleine culturele rituelen, en het lied van Aendekerk biedt tegelijk een eenvoudige remedie voor hedendaagse stress: samen zingen, lachen en plezier maken.