Honderd jaar Passiespelen in Tegelen: Jezus werd 22 keer gekruisigd in de Doolhof
In dit artikel:
Mario Kremers en Donña Doesborgh zijn twee vaste krachten van de Tegelse Passiespelen, die in 2026 hun honderdjarig bestaan vieren. Kremers, al op het podium sinds zijn vroege jeugd, keert terug als Herodus en merkt hoe de nieuwe promotieborden hem overal doen voelen alsof hij zichzelf ziet. Doesborgh begon in 1971 als figurant en vervult nu bestuurlijke taken naast eerdere hoofdrollen; beiden belichamen de generatieslange betrokkenheid van Tegelenaren bij het openluchtspel.
Het toneel is openluchttheater De Doolhof, aangelegd in een vroegere kloostertuin en sinds 1926 het vaste decor voor de Passiespelen. Het karakteristieke, “oosterse” decor met Romeinse trekken en de in de jaren zeventig aangebrachte overkapping horen bij het erfgoed van het theater, al kiest de productie van 2026 ervoor het spel volledig op het grote podium te laten plaatsvinden zodat spelers dichter bij het publiek staan.
Voor 2026 gingen de organisatoren een samenwerking aan met Toneelgroep Maastricht; regisseur Michel Sluysmans en scenarioschrijver Frans Pollux geven het lijdensverhaal een hedendaagse inkleding. Dat uit zich zichtbaar: voor het eerst in een eeuw dragen spelers geen Bijbelse gewaden, maar zwarte pakken; de intocht van Jeruzalem wordt met terreinwagens vormgegeven; rollen als Judas en Johannes kunnen door vrouwen worden gespeeld. Pollux vroeg zich af wat Jezus zou denken van hoe zijn verhaal nu wordt verteld en welke mythische laag eromheen is gegroeid — dat uitgangspunt leidde tot een tekst die gekozen is vanuit een moderniseringsintentie.
De kern van het verhaal blijft gehandhaafd, zeggen Kremers en Doesborgh: motieven als verraad door Judas, de ambivalente houding van Herodus en de vriendschap tussen Petrus en Jezus blijven leidend. Kremers vindt dat de moderne vorm het juist duidelijker maakt voor hedendaagse toeschouwers; Doesborgh had aanvankelijk moeten wennen maar is overtuigd dat het werkt.
De Passiespelen kennen een roerige geschiedenis. Geïnspireerd door het Duitse Oberammergau ontstond in 1926 in café De Gouden Berg de vereniging die in De Doolhof ging spelen. In de eerste jaren werden uiteenlopende religieuze en literaire stukken opgevoerd; vanaf 1931 kwamen uitsluitend passiespelen aan bod, vanaf 1940 vaak met teksten van pater Jacques Schreurs, die tot 1985 onveranderd werden gespeeld. Daarna volgde een periode van vernieuwing: nieuwe schrijvers en regisseurs moesten het publiek terugwinnen nadat bezoekersaantallen in de tweede helft van de twintigste eeuw scherp waren gedaald — van honderden bussen vol in de jaren vijftig tot slechts tienduizenden in de jaren zeventig. Financiële problemen en teruglopende belangstelling leidden bijna tot het einde van de traditie; een gemeentelijke overname van de Doolhof hielp de spelen te behouden.
Veranderingen leidden regelmatig tot kritiek, vooral vanuit katholieke kringen. De tekst van Pollux kreeg recent commentaar van een woordvoerder van het bisdom Roermond die vond dat elementen die het geloofsaspect benadrukken minder nadrukkelijk aan bod komen; de bisschop zelf zal de voorstelling naar verwachting bijwonen.
De moderniseringen zijn niet de enige bron van controverse uit het recente verleden. In 2015 veroorzaakte de casting van Abbie Chalgoum, van Marokkaanse afkomst, als Jezus een storm van verzet en zelfs bedreigingen, waardoor politiebegeleiding nodig was. Daardoor kwamen discussies over religieuze identiteit, representatie en veiligheid in de publieke ruimte scherp naar voren.
Naast politieke en religieuze spanningen spelen persoonlijke verhalen. Kremers noemt het meespelen tijdens rouwperiodes — het overlijden van zijn schoonvader en later van zijn vrouw midden in het seizoen — als emotionele hoogte- en dieptepunten; toch bood het voortzetten van de traditie ook troost en verbondenheid, iets wat volgens betrokkenen de kern van de Passiespelen definieert: een gemeenschap die, door te veranderen en te blijven spelen, haar cultuur en verhalen levend houdt.