In het 19de-eeuwse Stein werden velen niet ouder dan vijftig jaar
In dit artikel:
Twee eeuwen geleden zou een inwoner van Stein zijn woonplaats niet meer herkennen; alleen enkele oude straatnamen zijn nog hetzelfde. In 1796 telde het dorp 990 mensen in 214 gezinnen: 315 mannen, 288 vrouwen en 387 kinderen jonger dan twaalf. Leven was hard: de meeste volwassenen werden niet ouder dan vijftig en ongeveer de helft van de kinderen stierf vóór hun zestiende verjaardag. Daardoor trouwde men relatief laat, huwelijken waren vaak kort (gemiddeld zo’n twintig jaar) en veel kinderen bleven ongetrouwd omdat er te weinig grond was om elke zoon van een eigen stuk land te voorzien.
Stein was diep agrarisch en georganiseerd rondom het kasteel; de Heer van Stein bezat een groot deel van de grond. Van ongeveer 725 hectare was vrijwel 600 hectare akkerland, circa 80 hectare grasland en boomgaard en 40 hectare bos; ongeveer een derde behoorde persoonlijk tot de kasteelheer. Werkgelegenheid was vooral landbouwsgebonden: naast 94 zelfstandige boeren stonden 118 landarbeiders, aangevuld met schaapherders, timmerlieden, schoenmakers, kleermakers, smeden, molenaars en eenklein aantal overige ambachtslieden en handelslieden. De economische positie van de meeste bewoners bleef zwak: kleine perceeltjes of nevenwerk als ambachtsman of dagloner gaven nauwelijks bestaanszekerheid.
Het dorpsleven was gesloten door gebrekkige verbindingen met buiten en mede daardoor sterk op familie en buren gericht. Zelfstandig ondernemerschap kon nauwelijks gedijen; lasten als cijnzen, tienden en pacht drukten de landbouwopbrengsten en onveiligheid door rondtrekkende bendes vergrootte de kwetsbaarheid. Onderwijs kwam van de koster-schoolmeester, die weinig scholing had genoten. Pas ver in de 19e eeuw veranderde Stein langzaam van agrarisch dorp in een meer geïndustrialiseerde plaats; anno 2026 is het een belangrijk woon- en industriegebied in de directe nabijheid van de chemische industrie.