'Man, schej uut mit òw gebazel, want ik krieg van òw de razel'
In dit artikel:
Het stukje behandelt het woord razel/razelen: zowel als letterlijk bibberen (in het Algemeen Nederlands) als beeldspraak voor overrompeld of even uitgeschakeld zijn — bijvoorbeeld bij ‘mannengriep’, met koude voeten, koorts en razel. In Venlo werd het begrip in 1963 in een lied gebruikt om een plotselinge verliefdheid te duiden; ook in een lied van Sraar van den Bosch uit 1966 komt het woord terug als uitdrukking van ergernis en afkeuring van iemands gepraat.
Etymologisch stamt het van het Germaanse rasen. In Middelnederlands en Middelhoogduits betekende het iets als ‘ijlen’ of ‘dol zijn’; in het moderne Nederlands leeft het voort in razen, dat naast ‘woeden’ ook ‘raaskallen’ kan betekenen (denk aan uitdrukkingen als “de storm is uitgeraasd”). Het tweede deel van dat laatste woord, kallen, wordt in Midden- en Zuid-Limburg nog gebruikt voor ‘praten’. Ook in Oudengels (raesan) en Oudnoors (râsa) vinden zich verwante vormen met het beeld van stormen of aanstormen, passend bij middeleeuwse epische taal.
De overgang van razen naar razelen verloopt via een iteratief proces: door een suffix als -elen ontstaat een herhalend of verzachtend werkwoord (vergelijk druppen → druppelen, klappen → klapperen). Het artikel sluit af met een oproep tot duidelijke taal en een reactie-adres (noord-midden@delimburger.nl).