Smoeze betekent in het Venloos veel meer dan alleen fluisteren
In dit artikel:
Onlangs vroeg Venlonaar Frans Dielen zich hardop af waar het Venlose woord "smoezen" vandaan komt; die vraag was aanleiding voor dit onderzoek naar herkomst en gebruik. Het woord gaat terug op het Hebreeuwse šəmuʿoth (meervoud) met de betekenis ‘berichten, geruchten, nieuws’ en bereikte via het Jiddisch (sjmoeës: praatje, vertelling, grap) en het Hoogduits (Schmus) de West-Europese woordenschat.
Naast die neutrale betekenis ontstond ook de negatieve vorm smous, een scheldwoord voor een Jood of een gladde, onbetrouwbare persoon — etymologisch terug te leiden op het Jiddische Mausche/Mosje (Moses). In het Nederlands heeft smoezen de betekenis gekregen van heimelijk of bedekt spreken, vaak ten koste van een ander; uitdrukkingen als “jij smoest voor jezelf” illustreren die nuance.
Zwerfsters, handelaren en landlopers gebruikten veel Jiddische termen als onderdeel van Bargoens, een zakentaal om vertrouwelijke informatie af te schermen; daaruit is ook het algemene Nederlandsse “smoesje” voortgekomen. In het Venloos dialect leeft het woord voort, onder meer in vastelaovesliedjes zoals het bekende “Venlo, Stedje” (1936), waar het in carnavaleske teksten terugkeert.