Vaerdig: klaar met, maar ook vóór carnaval

woensdag, 18 februari 2026 (11:33) - Dagblad de Limburger

In dit artikel:

De schrijver reflecteert op het dialectwoord "vaerdig", dat hij gebruikt om diepe vermoeidheid mee te omschrijven na vijf dagen vastelaovend. De kernbetekenissen zijn tweeledig: enerzijds 'klaar' of 'gereed' (vergelijkbaar met het Duitse "fertig"), anderzijds in hedendaags gebruik ook 'vaardig' in de zin van bekwaamheid of manier van doen. Etymologisch gaat het terug op vormen als Middelnederlands vaerdich en Oudnederlands/oudhoogduits ferðugr/fertīg; zelfs middeleeuwse teksten (zoals het Liber de vinis rond 1240) tonen verwantschap in betekenis.

Het achtervoegsel -vaardig heeft in het Algemeen Nederlands vooral de betekenis van wijze of geschiktheid (denk aan rechtvaardig, handvaardig), maar in samenstellingen zoals reisvaardig leeft de oudere betekenis ‘gereed om te vertrekken’ nog voort. In lokale dialecten — met name in het oosten/zuiden — blijven deze oudere taalstadia behouden, waardoor vaerdig daar nog dagelijks gebruikt wordt (ook terug te vinden in teksten en liedjes van regionale auteurs als Joke Schlein en Jo Deusings).

Kortom: vaerdig illustreert hoe dialecten oude woordbetekenissen bewaren en tegelijkertijd functioneel blijven in moderne uitdrukkingen; de auteur sluit met een knipoog over de volgende vastelaovend over 353 dagen, waarop men weer “vaerdig” zal zijn.