Van drinkbekers tot pronkkruiken: zo ontstond pre-industrieel aardewerk in de Euregio
In dit artikel:
De LGOG-kringen Maastricht en Valkenburg/Heuvelland belichten in de rubriek ‘Van Nul tot Nu’ de geschiedenis van aardewerk en pottenbakkerijen in de regio. Serviesgoed zoals kommen, kannen en bekers werd tot ongeveer 1850 vaak verkocht door rondtrekkende kramers. In de Romeinse tijd waren al pottenbakkers actief in Heerlen en Tongeren; later ontstonden belangrijke centra in onder meer Brunssum, Schinveld, Aken, Raeren en Frechen bij Keulen.
Vanaf de twaalfde eeuw waren pottenbakkers georganiseerd in gilden. Die bepaalden onder meer hoe klei werd gewonnen en verdeeld en hoe de opleiding verliep: van leerling via gezel tot meester. Ook golden productievoorschriften, zoals werken bij daglicht. In Raeren werd geschikte klei uit vochtige gebieden gehaald. De ontstane kuilen moesten dezelfde dag worden gedicht, nadat eerder al eens een koe in zo’n kuil was verdronken.
Een bekend product uit de streek is de baardmankruik, herkenbaar aan een gezicht met baard op de hals. De oudste exemplaren, in het Ripuarische dialect ‘Frats’ genoemd, werden rechtstreeks in de natte klei versierd. Vanaf het midden van de zestiende eeuw maakten pottenbakkers de gezichten met aardewerken mallen, waarna het reliëf met kleipap op een gedeeltelijk gedroogde kruik werd bevestigd. Naast baardmankoppen verschenen ook planten, stads- en familiewapens en afbeeldingen van vorsten.
Na 1500 nam de aandacht voor vormgeving en kwaliteit toe en zijn ook namen van pottenbakkers bekend, waaronder de familie Emonts. Geïnteresseerden kunnen het Töpfermuseum in Raeren bezoeken. Daar vindt jaarlijks eveneens een markt plaats; dit jaar wordt die op 12 en 13 september gehouden met pottenbakkers uit de Euregio.
Vandaag Inside: Johan Derksen trekt uitnodiging voor potentiële Vandaag Inside-tafelgast in: 'Het is een mietje'